dinsdag 18 september 2012

IJSLAND 2011 - dag 14: regen en mist bis

Sven zat met zijn handen in zijn haar… In zo’n triestige weersomstandigheden had hij zijn geliefd IJsland nog niet gezien…! Hoe zonnig het er op zijn vorige trip ook moet geweest, zo grijs en somber was het ook nu weer… Toch probeerden we een glimp van het noorden op te vangen.
Langs de weg van Akureyri naar Myvatn  bezochten we  de machtige Goðafoss of de waterval van de goden. In de 10de eeuw werd op het Alþing bij Þingvellir besloten om het Christendom als nationale godsdienst te aanvaarden (althans buitenshuis; binnenskamers mocht men nog de oude goden aanbidden). De bedenker van deze constructie, de wetspreker Þorgeir Þorkelsson, die op weg naar zijn huis langs de Goðafoss kwam, gooide als blijk van zijn bekering al zijn heidense afgodsbeelden in deze waterval.  Eén van de brandgeschilderde ramen in de kerk van Akureyri herinnert aan dit verhaal en hieraan dankt de waterval dus zijn naam.

Langs de kustlijn van de Noordelijke IJszee speurden we nog tevergeefs naar een glimp van puffins. We zagen echter amper het onderscheid tussen zee en mist en misten wellicht prachtig natuurschoon. Het idyllische havenstadje Husavik, onder meer beschreven als dé uitvalsbasis voor vogel- en walvisspotten, was onze laatste hoop om de populaire beesten toch nog te zien te krijgen, maar toen het ook daar juist feller begon te regenen van zodra wij de auto hadden verlaten, hielden we het voor bekeken...  Lies was overtuigd: puffins komen enkel voor in trollensprookjes,  op ongeveer elk IJslands souvenir of  verpakt in de gevogelte-afdeling van de supermarkt!
In de buurt van Ásbyrgi, helemaal aan het noordeinde van het Vatnajökull National Park, leek het heel eventjes iets minder hard te regenen! We waagden ons nog eens een korte stop. De 4 km lange kloof met steile, tot 60 meter hoge rotswanden heeft vanuit de lucht gezien de vorm van een hoef van een paard. De legende wil dat het een hoefafdruk van Sleipnir (het achtbenige paard van Odin) is.
Nog één belangrijke ‘highlight van IJsland’ onbrak op onze trip: de ruim 100m brede Dettifoss,  Europa’s  krachtigste waterval. Annie en Catharina wilden het gebulder van dichtbij horen, en begonnen aan hun afdaling naar het oorverdovend geraas van de watermassa, die zich 45m diep in de afgrond stort. Na een halfuurtje keerden zij doorweekt  terug naar de auto, maar het droog krijgen van hun kletsnatte broek bleek een hopeloze opdracht. Plots zaten de twee dames in onderbroek achteraan in de wagen... Gelukkig hadden zij een droge lange broek in reserve, en werd de tocht in het droge van de autoverwarming verder gezet. Openluchtactiviteiten zaten er die dag niet meer in en bovendien moest er nog een behoorlijke afstand worden afgelegd richting Seydisfjordur, onze slaapplaats, enige haven met internationale verbinding en eindhalte op deze net niet op de poolcirkel gelegen vulkaanbodem.

Egilsstaðir was de laatste iets of wat stad waar we onze IJslandse kronen konden opsouperen en alle souvenirtjes die we al eerder in het grootwarenhuis hadden zien liggen, maar niet gekocht hadden omdat ze in Akureyri misschien toch nog net een ruimere keuze of goedkoper aanbod zouden gehad hebben, werden nu definitief ingeladen. Voor het binnenrijden van Seydisfjordur moesten we een allerlaatste pas over en voor we de sneeuwgrens bereikten, brak de avondzon door de wolken! Het prachtige uitzicht maakte ons even zeer stil… Alsof Snorri nog iets goed te maken had…
Aan de andere zijde van de pas doemde het op het eerste zicht kleine en rustige havenstadje op. Groot was onze verbazing toen ongeveer elke parkeerplaats bezet bleek te zijn met caravans, mobile homes en andere rijwielen, de jeugdherberg tjokvol bleek te zitten en het avondmaal in één van de enkele restaurantjes niet onaardige wachttijden opleverde ! Het was alsof half IJsland hier had verzameld voor de uittocht. Seydisfjordur leeft 24u per week: op donderdagochtend komt de boot!

IJSLAND 2011 - dag 13: de hoofdstad van het noorden

Wij begonnen onze dag met een heerlijk en stevig ontbijt waar we onder meer onze Nero-wafels zelf bakten, niet om een verhaal af te sluiten, maar om ons voldaan naar IJslands tweede grootste stad te begeven:  Akureyri, gelegen aan de langste fjord van IJsland, de Eyjafjörður. Dat de stad bekend staat om zijn botanische tuin en de vele goed onderhouden particuliere tuinen met bomen, planten en bloemen, leek ons bij een temperatuur van 5°C eerder onwaarschijnlijk…

De eerste halte was de Akureyrakirkja met zijn tweelingtorens en vierkante gevel in art deco stijl. De kerk werd ontworpen door de architect die ook de Hallgrimskirkja in Reykjavik zijn unieke look gaf. De glasramen tonen  belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van IJsland, met uitzondering van het koor, dat uit de oude kathedraal van Coventry in Engeland komt. Wees gerust, we hielden ons ver van het orgel… (veiligheid boven alles…)

Als er nog shopping moest gebeuren, dan was het nu één van de allerlaatste kansen… Het deed er  dan ook goed aan om eventjes uren in een grote boekenwinkel rond te hangen, als alternatief van dagen natuur en slecht weer. De winkel omvatte een kleine cafetaria, zodat je meteen iets kon drinken terwijl je je al-dan-niet-aankopen rustig nader kon bestuderen.  Een snelle wrap hap en een blitzbezoek aan het Hof Menningarhus, alweer een hypermodern design Cultural and Conference Center (nog geen jaar open!), rondden ons bezoek aan Akureyri af.

We keerden vroegtijdig naar onze Edda terug om onze valiezen te herpakken en klaar te stomen voor de boot…

WULDERBIJNAWEREWIG...

Beste vrienden,

Jullie hebben het slot van de IJslandexpeditie 2011 nooit te lezen gekregen...jawel, de verslagen werden wel degelijk gemaakt, maar zijn nooit online geraakt... Daags voor onze volgende afreis naar het land van vuur en ijs, wil ik ze jullie niet langer onthouden!

Veel leesplezier! Viking Sven is ondertussen al weer ter plaatse. Wij vervoegen hem nu donderdag in Keflavik voor een nieuw avontuur!

zaterdag 9 juli 2011

IJSLAND 2011 - dag 12: regen en mist

Als echte, goede Belgen dachten wij dat het toch eens zou ophouden met regenen, maar niets was minder waar... Het regende zo waar nog harder dan gisteren. Wij reden het binnenland verder in.














Door de mist en regen bleek het landschap nu nog desolater, en er was geen enkel dorp meer te bespeuren in de volgende honderd kilometer. We besloten één van de hoogtepunten van de IJslandse geologie toch niet zomaar links te laten liggen. In Hverir (letterlijk: hete bronnen), aan de voet van de Namafjall,  ploeterden wij door het geothermisch gebied met geelachtige zwavelbronnen en sulfaatterrassen, kokend hete stoomputten en pruttelende grijze modderpoelen, wij waanden ons in Dantes ‘Inferno’,  en het rook ook naar de hel… De ijzige wind gierde rondom ons  en het was amper drie graden…
Ook de Krafla zes kilometer verderop konden wij amper zien en de boordcomputer waarschuwde voor gladheid op de weg... Lies gaf verstek, Annie, Catharina en Sven naar buiten om op zijn Japans een mistkiekje te nemen van de vulkaan, en al even snel de warmte van de auto op te zoeken.

We besloten meteen door te rijden naar het Edda hotel in Storutjarnir,  de volgende punten van ons programma werden geschrapt. Voor de volgende twee dagen verbleven wij in de plaatselijke school (good, old teachers en onderwijskroost), die tijdens de vakantie tot een hotel wordt omgevormd.

IJSLAND 2011 – dag 11: vermiste fjorden

Onze ontdekkingsexpeditie naar de oost fjorden kon al niet meer stuk, want als ontbijt in Berunes kregen we van Olafur en Anna vers gebakken pannenkoeken . Het haardvuur knetterde, de gitaar werd van de muur genomen, en Annie speelde de meest romantische liedjes, ondersteund door haar 2-stemmig koor. Annie, Lies en Sven trokken het kerkje binnen, waar er alweer een orgel stond… Nee, deze keer durfden zij Snorri niet meer toornen. Maar zijn invloed was nog steeds  te voelen. Een aangeslagen Catharina kwam snelwandelend melden dat zij de sleutel binnen in het chaletje had laten liggen…Voor een tweede keer probeerde zij de IJslandse kalmte op te meten. Nee, ook aan  Olafur was niets te merken. We namen afscheid van ons zeer idyllisch gelegen jeugdherberg, en reden richting Faskrudsfjordur, waar wij het museum voor Franse visserij bezochten. Daar werden we geconfronteerd met de ruige  omstandigheden, waarin meer dan vierduizend  jonge Franse, Belgische en IJslandse  vissers het leven lieten.Ondertussen was het hevig gaan regenen en misten, zodanig dat we  amper nog de andere kant van de fjord zagen... Ons oorspronkelijk plan werd afgeblazen, en wij reden de tunnel in naar het binnenland in de hoop beter weer aan te treffen. 
Vanuit Egilsstadir reden we rond het langgerekte meer Lögurinn, dat zijn eigen steeds  van vorm veranderend monster heeft. Zeg maar een IJslandse Nessi… Helaas konden wij het meer van het monster niet onderscheiden, alweer door de mist... Wel opvallend is dat langs het meer (voor het eerst in IJsland!) echte bossen liggen. Lies was niet onder  de indruk en vond het een on-IJslands Tiroler landschap.

Annie en Sven gingen de op twee na hoogste watervallen van IJsland (118m), de Hengifoss, verkennen aan de noodwestzijde van het meer. Het beste zicht kreeg je van op steil pad vol trappen, dus bleef het schrijversteam in de wagen voor het bijwerken van de verslagen.  Het bijzondere aan de Hengifoss is dat hij in een smal lint van een rood-zwartgelaagde klif naar beneden stort. Iets verder stroomafwaarts zagen zij de Litlifoss met zijn gedraaide basaltzuilen. Onderweg kwamen ze een kudde van zes wilde IJslanders tegen, regelrechte afstammelingen van het Europese oerpaard...prachtige beesten.





















Ons eindbestemming Husey ging na een tocht via een dertig kilometer lange gravelbaan niet alleen de mist in, de dag werd ook afgesloten in de kletsende regen. De al even verzopen Hollanders die in de keuken van de jeugdherberg bleken te zitten, werden op Vlaamse wijze buitengekuist, zodat  ons kookteam aan de verse zalm in witte wijnsaus met rijst kon beginnen. Hoera!